Column voor ‘Paradijsvogels magazine’

Tekst: Michaela de Groot
klik door naar de website

De ramen van de bus hebben een oranje waas doordat ze van kop tot kont zijn bedekt met een laagje stof afkomstig van de onverharde, terra kleurige wegen. Het maakt het tot een ware uitdaging om met heldere blik de wereld in te kunnen kijken. Ik zit klem tussen een vrouw en de wand van de bus in geplakt terwijl het geronk van de zware dieselmotor ritmisch in mij door trilt.

Op mijn schoot zit een, voor mij, volkomen vreemd jongetje van een jaar of twee die even daarvoor door een vrouw (ik vermoed zijn moeder) in één kloeke beweging op mijn schoot is gepland. Kennelijk iets dat in Nepal de gewoonste zaak van de wereld is. Ook voor het jongetje zelf. Die heeft mij even aangekeken, breed geglimlacht en is vervolgens vol vertrouwen in slaap gesukkeld. Zijn armpjes slap en zijn hoofd leunend tegen mijn borst. Zo gaan we voort. Knus zweterig tegen elkaar aangeplakt bij 34 graden in een bus zonder airco met antieke schokbrekers. Piepend en kreunend kruipt het gevaarte de heuvels op.

Een maand lang zal ik verblijven in deze uitzonderlijke wereld die Nepal heet.
Vandaag is het vrijdag en vanuit het kleine dorpje Sankhu, waar ik door de week als vrijwilliger werk in een kindertehuis, reis ik voor het weekend af naar het zeer levendige Kathmandu. Een afstand van amper 30 kilometer waar je in Nepal per bus met gemak 1 ½ uur over doet. Een avontuur op zichzelf. Werkelijk ieder plekje in en op de bus is maximaal bezet met mens, kip, kind, geit en materie. Als je leeft met het idee ruimte nodig te hebben voor je aura dan heb je het in een Nepalese bus pittig zwaar.

Door de smoezelige ramen heen zie ik de wereld aan mij voorbij trekken. De dorpjes met huizen her en der. Hutjes eerder,  zonder enige logica qua bouwconstructie. Een paar slordige wanden met een rafelige reep golfplaat als dak waarbij een paar forse stenen moeten behoeden dat de plaat er niet bij iedere willekeurige windhoos wegwaait. Een lap stof, welke als deur fungeert  maar slechts omlaag hangt tijdens de nacht, de kou en de regen. Nu ik een poosje in Nepal ben weet ik dat de rest van de tijd de gevel namelijk altijd open staat, bijna als symbool voor de openheid van het leven hier. Wassen, badderen, eten, samen zijn en theedrinken. Alles gebeurt buiten. Openlijk, inzichtelijk en als een groot sociaal proces met een vanzelfsprekende toegankelijkheid en zorg voor elkaar.

De wereld glijdt voorbij, in een gloed van zonlicht en een vage waas van stof. Kinderen badderen op straat en rennen met blote, natte lijfjes schaterlachend achter elkaar aan. Vrouwen doen samen de was bij de waterpomp langs de weg terwijl vlak daarnaast een geit wat glazig op een strootje staat te kauwen.

Nepal, ontwikkelingsland bij uitstek. Vele organisaties zijn hier actief om het welzijn van de Nepalezen te verbeteren. Nepalezen die zich optrekken aan ons westerlingen en ervan overtuigd zijn dat wij de waarheid in pacht hebben over hoe het leven geleefd zou moeten worden om het naar een welvarender level te tillen. Eén blik naar buiten vertelt dat dat geen overbodige luxe is. 
Toch zou ik willen beweren dat dit land in zekere zin veel rijker is dan Nederland. Er heerst een sterke sociale betrokkenheid en saamhorigheid waarbij het leven met grote acceptatie wordt ontvangen zoals het zich aandient.  Een op en top leven in het nu zonder stress en met een uitermate hoog gehalte aan brede glimlach. 
Daar kunnen wij in Nederland nog een puntje aan zuigen.

Ik kijk neer op het bolletje met de gitzwarte haartjes dat in diepe ontspanning tegen mijn borst rust, de rust en het vertrouwen dat dit land met zijn mensen tot in al zijn vezels uitademt en weet…..

Dit, ja dit, is rijkdom!

Column voor ‘Paradijsvogels magazine’

Tekst: Michaela de Groot
klik door naar de website

× App Mi!